Tussen mensen bestaat zoiets als de juiste afstand. Niets zo vervelend als iemand die te dicht bij je komt staan, tenzij hij je een geheim wil toefluisteren waar je geïnteresseerd in bent. Niets zo vervelend als iemand die een te grote afstand in acht neemt en de indruk wekt dat hij vies van je is. In beide gevallen – het verschil speelt hier nauwelijks een rol – komt de ander dominant en agressief over. ‘Proxemics’ noemen de Amerikanen die leer van de afstand bij communicatie en die blijkt intercultureel grote verschillen te vertonen.
Is er ook een juiste afstand tot de dingen? Wie met z’n neus op iets zit waar je normaal op een halve meter afstand naar kunt kijken, getuigt of van bijzondere interesse, of is gewoon bijziend. Iemand die fotografeert, zie je wel ’s een paar stappen voor- of achteruit doen, om zijn onderwerp netjes in beeld te krijgen. Een bloem fotografeer je van dichtbij, daar hebben camera’s een speciale macro-instelling voor, een gebouw van een behoorlijke afstand, zodat het ‘er helemaal op staat’. Van te ver is ook niet goed, dan lijkt het alsof je niet kon beslissen welk deel van de straat nu eigenlijk de moeite waard was. Wat erachter zit is dat iets herkenbaar tot zijn recht moet komen, identificeerbaar moet zijn.
Kijkt u eens naar de twee foto’s hierboven en identificeert u het onderwerp. Ziet u ook een luchtfoto van een delta ergens in Vietnam of zo? En een afgraving in een grote zandmijn, in de Ardennen of in een zuiders land?
Waarom zou ik u niet in de illusie laten? Het grote imponeert, het neigt zelfs naar de esthetische categorie van het sublieme – iets waar we met ons verstand niet zo gauw bij kunnen. De werkelijkheid achter het beeld is anders. De bovenste foto is gewoon gemaakt van op de oever van een drooggelegde vijver in Tervuren, waar de natuur de mens toch gauw weer te slim af was. De onderste toont de rand van een miniem stukje omgeploegd land, langs de Nete in Kasterlee. De camera speelt ons parten. Hebben we te veel panoramische beelden gezien? Zien we liever iets groots dan iets kleins? Verbeelden we ons graag iets? (In psychologische zin, over onszelf, in elk geval, maar dat terzijde.)
Ondanks de relativerende veelheid van ontelbare mogelijke invalshoeken, hebben dingen toch hun ‘ware grootte’. Op politiefoto’s legt men een meter naast het gefotografeerde. Kwestie van de verhoudingen duidelijk te maken. Tegelijk hebben die foto’s ook iets ontzettend saais: zo (groot) is het en niet anders. Mensen lijken het leuker te vinden met de grootte van de dingen (of van andere mensen) te kunnen spelen. Iets onderschatten of overschatten. Van een mug een olifant maken. Iemand minachten. Iemand hoog ophemelen. Hoe eentonig zou de wereld zijn als we alles alleen in zijn ‘ware grootte’ zouden zien, objectief. Hoe boeiend is het perspectivisme, ook al trekt het de dingen wel ’s scheef.
en die lucifertjes? vroeg neuwerk weifelend. dat zijn telegraafmasten op enige afstand, legde goldenberg uit, de bereisde.
(Konrad Bayer, het zesde zintuig. een roman)






