Drie jaar geleden ben ik met hen scheep gegaan, al kregen ze maar twee uur les van me in de week. Duits was niet hun lievelingsvak, als ze zoiets hadden. Bij momenten viel er met hen geen land te bezeilen. Ze hadden een spanningsboog van ten hoogste tien minuten. Slechts één keer was hij langer: toen ik hen enkele nieuwe woorden voor een quiz liet tekenen. Ze leken allemaal ADHD te hebben; alleen stond het niet op papier. Een paar keer had ik zin door het raam te springen. Het zou geen grote gevolgen hebben gehad: ze zaten gelijkvloers. Ik deed het toch maar niet. 'Je bent niet iemand die de deur dichtslaat', zei een jongere collega me onlangs. De waarheid hoor je van een ander.
In het 5e jaar hadden enkelen afgehaakt, sommigen waren blijven zitten, enkelen naar een andere school overgestapt. Wie over was gebleven, bleek na de vakantie – twee maanden die op hun leeftijd veel verschil maken – gerijpt. Dat ze voor Duits ook een seminarie-uur kregen, waarin ze veel zelf konden doen, ze jongerentaal leerden ('Was ist eine Tussi?'), een paar liedjes van Nina Hagen beluisterden ('TV ist 'ne Droge!') en – wat trof dat! – de hyperkinetische film Lola rennt verwerkten, maakte sommigen zowaar enthousiast voor de taal van de oosterburen.
Het laatste jaar viel er met hen prima te werken. Of het nu om Duitse geschiedenis in de 20e eeuw ging, het verschil tussen Ossis en Wessis, proza en poëzie van Goethe, Benn, Hölderlin en Kafka – eigenlijk was geen moeite hun te veel. Toen ze met gloed hun gedicht hadden voorgedragen (een laatste spreekproef) en getoond hadden dat ze best een toets aankonden voor buitenlanders die aan een Duitse universiteit willen studeren, bleven er nog tien minuten over. Dat zou drie jaar geleden een schrikbeeld zijn geweest, maar nu kwam het voorstel om de resterende tijd in te vullen, spontaan van hen: 'Kunnen we geen liedje zingen, meneer?'
Snel de eerste en de laatste strofe en het bijbehorende refrein van 'Die Moorsoldaten' op het bord geschreven. Uitgelegd dat het wel een soort marslied uit de oorlog is, maar niet militaristisch. Integendeel: een verzetslied van de dwangarbeiders die voor de nazi's in KZ Börgermoor in Noord-Duitsland heel de dag turf moesten steken en er elkaar moed mee inzongen.
Wohin auch das Auge blicket,
Moor und Heide nur ringsum.
Vogelsang uns nicht erquicket,
Eichen stehen kahl und krumm.
Wir sind die Moorsoldaten
Und ziehen mit dem Spaten
Ins Moor.
(...)
Doch für uns gibt es kein Klagen,
Ewig kann nicht Winter sein.
Einmal werden froh wir sagen:
Heimat, du bist wieder mein.
Dann ziehen wir Moorsoldaten
Nicht mehr mit dem Spaten
Ins Moor. (2 x)
Twee keer voorzingen. Wie kan er nazingen? 'Nein, wir alle zusammen!' Het klonk nog wat aarzelend, maar overtuigd. Toen ging de bel. Ik had nog iets willen vertellen over 'das Prinzip Hoffnung' van Ernst Bloch of over het devies van Willem van Oranje 'Point n'est besoin d'espérer pour entreprendre ni de réussir pour persévérer'. Maar dat hoefden ze niet meer te horen, dat snapten ze zo ook wel – ze hadden het getoond.
Een week later was hun laatste examen, Duits. Om hun laatste stukje grammatica te toetsen – der Konjunktiv II – liet ik hen schrijven over wat ze zouden doen als ze uitvinder waren. Sommigen hielden het dicht bij huis. Een geneesmiddel om alles beter te onthouden (of een chip als een usb-stick, om in je hoofd te planten). Nooit meer black-outs, geen paniek meer voor een examen. Maar ze zagen ook het nadeel. We zouden allemaal even intelligent zijn en er zouden geen buitenbeentjes meer bestaan. S., met het profiel van een mannequin, zou een elektronische kleerhanger ontwerpen, die al de door haar te passen kleren verzamelt en de gekochte voor haar naar de kassa brengt.
Anderen keken verder. Ch. zou een elfenstof uitvinden, die alle kinderen gelukkig zou maken en oorlog, pijn, hongersnood uit de wereld zou helpen. De stof zou een misdadiger veranderen in een bloem of een vlinder. Het woord 'Schmetterling' was ze niet vergeten. C. dacht aan het eeuwige leven en net op tijd dat het te lang zou duren, dat het haar te oud zou maken en ze niet de eenzaamste mens op aarde zou willen zijn.
Een paar vullen onverwacht de witruimte onderaan op het laatste examenblad met iets persoonlijks, dank en een wens die de bescheidenheid verbiedt te citeren. Op de al erg lege speelplaats vraagt een jongen uit 5: 'Is het waar dat alle leraren Duits volgend jaar vertrekken?' (Wishful thinking?) 'Ik hou het nog wel een paar jaar vol', stel ik hem gerust (?). Een dag later, bij de deliberatie, blijkt de hele klas 6EMT-LMT geslaagd. Hun leven, het leven elders kan beginnen.
En ik moet weer denken aan enkele regels uit een van de Sonnetten van een leraar van Ida Gerhardt. 'Dit is mijn land. Ik zal niet meer verkassen: [...] Vergeef mij, God, mijn duizendvoudig falen. / Ik kon dit nimmer in mijn schema passen. // En rebelleerde. –Maar ik ben gezwicht: / Te sterk zag mij mijn werk in het gezicht. / Het is mijn prachtige, mijn hondse baan.' Op het eind van het schooljaar – en nee, niet vanwege de nakende lange vakantie – vooral prachtig.






