
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was België quasi volledig bezet. Nederland ontsnapte aan de oorlog ten gevolge van het tactisch oorlogsplan van Von Moltke, een licht gewijzigde versie van het Von Schlieffenplan.
Door deze verschillende politiekterritoriale situatie ontstonden aan de Belgisch-Nederlandse grens een aantal bijzondere activiteiten. Zo werden vele, vooral jonge oorlogsvrijwilligers naar het neutrale Nederland gebracht om zich via Vlissingen, Folkstone (GB) en Dieppe bij het leger achter de IJzer te voegen. Nederland was ook de ideale uitvalsbasis voor spionageactiviteiten van de Britse en geallieerde inlichtingendiensten in het bezette gebied. Circa 7000 waarnemers (de zgn. loerders die vooral treinen moesten observeren ), koeriers en agenten werden aanvankelijk aan de grens met Turnhout en later boven Mol gerekruteerd en opgeleid. Poststukken van frontsoldaten naar hun families en vice versa werden via dezelfde weg als de oorlogsvrijwilligers gesmokkeld. Op drie weken tijd konden zo maar liefst 150.000 brieven besteld worden! Door de gevaarlijke en onzekere oorlogssituatie in België kozen vele gezinnen voor een iets stabielere toekomst in Nederland en vluchten samen met één miljoen andere Belgen. Daar kwamen ze meestal bij particulieren of vluchtelingenkampen terecht. Door een chronisch tekort aan voedingswaren en andere gebruiksgoederen in het bezette België, werd een goeddraaiende grenssmokkel opgezet. Niet enkel op winst beluste Nederlanders en hongerige Belgen smokkelden, ook ingekwartierde Duitsers en Nederlandse douaniers deden hun deel. Tenslotte waren er vele plaatselijke weerstandsdaden tegen de strenge bezetter. Het smokkelen van Nederlandse en dus ongecensureerde kranten, inkwartiering van burgers en militairen en andere acties tegen de Duitsers behoorden tot hun activiteiten.
Enkele Turnhoutse agenten met hun specifieke taken (onvolledige lijst):
- Jeroom Wanty: recruteur en treinobservator (in 1916 aangehouden, +1917)
- Jos Courtens, Joseph Leemans (koerier) en Jan Wilryckx (recruteur, naar Nederland gevlucht)
- Jan Bax (treinbestuurder, smokkelde berichten over grens)
- Dokter Somers (gaf onderdak aan vluchtelingen)
- Leopold Gesp, Frans Huysmans, Jan Stakenborghs, Louise Aalbrechts, Aloïs Swannet (allen gearresteerd en opgesloten)
- Pater Jules Vermeiren s.J. (clandestiene post, inlichtingsdienst)
- Fanny Diercxsens-Aubergé (oversmokkelen van berichten, aanhouding 8.5.1916; gevangenis tot 21.10.1918)
- Jan Peeters of De Zes (smokkelaar, passeur met 6 vingers)
- Jan Vleugels (De Vlaming), Jos Haest (Cartouche) en August Verstappen (De Kromme), de Plek
Door het aanhoudende drukke grensverkeer en het beperkt aantal Duitse soldaten aan de grens werd al vlug beslist om een draadversperring te bouwen. De idee was afkomstig van de Duitse officier D. Schütte.
Passeur Jan Bax die in 1917 overleden is.
Pater Jules Vermeiren s.j. (Stadsarchief Turnhout-TRAM 41, fotocollectie)
In het voorjaar van 1915 startte men met het plaatsen van de draadversperring op Belgische bodem. Na een eerste verkennende inspectieronde van de grenszone, werd een strook voorbereid en waar nodig ontbost. Palen werden geplant, isolatoren werden bevestigd en draden werden gespannen. Een ploeg van Duitse genietroepen (60 à 70 man) kon op één dag ca 1 km versperring plaatsen.
De palen waren ca. 2 meter hoog met vijf tot soms wel tien stroomdraden en evenveel porseleinen isolatoren (potjes). De spanning van 2000 tot 6000 volt werd afwisselend op sommige draden gezet en was voor onze streek afkomstig van de generatoren in de buskruitfabriek van Kaulille, van de zinkfabriek van Stevensvennen of van de centrale van Merksem. In de verboden grenszone die tientallen meter breed was, liepen langs beide zijden van de centrale versperring nog twee, iets lagere, niet geëlektrificeerde versperringen. Om de 500 tot 2000 meter bevond zich een Schalthaus of schakelhuisje om de draad van elektriciteit te voorzien. Die wachtposten langs de grens werden bevolkt door 10 tot 40 soldaten van meestal middelbare leeftijd. Hier bevonden zich generatoren, transformatoren, alarm, schakelaars, controlepanelen, één fiets voor controle…
Foto archief Mercelis, Hoogstraten
De bewaking aan de versperring gebeurde aanvankelijk door geniesoldaten. Vanaf het einde van 1916 namen oudere, volgens de Duitse overheid tel lakse, soldaten. Zij droegen een toepasselijke armband met een rode bliksem of pijl. Om spionnen, smokkelaars of te welwillende Duitse grenswachters te snel af te zijn, werden de wachtbeurten streng geheim gehouden en in laatste instantie beslist wie wanneer patrouilleert. De soldaten liepen steeds hun wacht met geladen geweren en kregen het bevel om, meestal zonder verwittiging, te schieten op al wat in de buurt van de versperring bewoog. Bij panne, sabotage of (dodelijke) ongevallen werd onmiddellijk de Streckenmeister of wachtmeester verwittigd.
Borden met de opschriften Hoogspanning Doodsgevaar Hochspannung Lebensgefahr hadden de bedoeling mensen te waarschuwen. Dit bord bevindt zich nu in het depot van het Taxandriamuseum. Foto Stadsarchief Turnhout-TRAM41
Niettemin was het mogelijk om op legale wijze de draadversperring over te steken. De Militärdurchlässe was enkel bestemd voor Duitse soldaten. De Zivildürchlässe werden door burgers gebruikt om bijvoorbeeld naar hun landbouwgrond in het niemandsland te gaan, brood in Nederland aan te kopen, Nederlandse familie bezoeken , …
Het tracé van de dodendraad is nauwkeurig getekend op een landkaart van na 1916. De versperring volgde allesbehalve de Belgisch-Nederlandse grens, maar sneed bijvoorbeeld de drie bulten in de grens af. Zo ontstond er heel wat niemandsland wat wel deel uitmaakte van België, maar boven de versperring lag.
Dat deze situatie hinderlijk was, verdient geen betoog. Gestremd verkeer, kilometerslange ritten via een doorgang in de versperring om velden of akkers te bereiken, scholen aan de andere kant van de draad, arbeiders die in Nederland werken, … (zie kaart)
Bron: Vanneste, A., Het eerste ijzeren gordijn?, p. 14-15


Illegale oversteken met dodelijke afloop waren voornamelijk te wijten aan enerzijds het feit dat de meesten in die tijd geen idee hadden van het gevaar van elektrische schokken. Anderzijds kon een confrontatie met opmerkzame Duitse patrouilles nefast zijn.
Een overzicht van enkele slachtoffers bij Turnhout (de lijst is niet volledig)
- November 1916 - 2 smokkelaars uit Loenhout en Turnhout
- 29.11.1916 - 2 Belgen doodgeschoten aan de versperring en 1 blijven hangen aan de draad; 19 anderen vluchten
- Einde 1916 - 16e vrouwelijk slachtoffer!
- December 1916 - 20 slachtoffers bij Turnhout, Merksplas
- 27.12.1916 – Henricus Lenders (Turnhout) en Constant Gers (Beerse) neergeschoten aan de draad
- 9.7.1917 – lijk van grensgids Jozef Backx gevonden bij de draad, Ravels
- 7.1.1917 – 2 Russen omgekomen
- week voor 15.11.1916 – 8 doden Arendonk
- 5.9.1916 – lijk van Louis Snyders (Beerse) gevonden
- 20.11.1916 - Maria Ruts komt om aan de draad
- November 1916 - 2 smokkelaars van brieven doodgeschoten
- 16.1.1917 - Duitse deserteur en Belgische smokkelaarster komen om
- 25.5.1917 - 21-jarige uit Hechtel
- 1917 - verschillende drenkelingen in kanaal
- 1.10.1917 - Mechelse student Van der Goten (15 jaar) sterft aan draad
- September 1917 - Duitse deserteur en Franse vluchteling geëlektrocuteerd Hoogstraten
- 7 mei 1917 - Duitser Dehmel (deserteur) komt om aan draad
- 7.6.1917: smokkelaar Frans Loosveldt aan draad doodgeschoten
- 13.6.1917 – jonge Duitser Franz Brandt geëlektrocuteerd
- 25.8.1917 – 2 vluchtelingen en een Duitsers komen om bij vuurgevecht aan de draad
- 23 augustus 1917 – drie jonge slachtoffers
Evenwel slaagden opvallend veel passeurs, agenten van spionagenetwerken, oorlogsvrijwilligers, (brieven)smokkelaars, deserteurs en vluchtelingen erin een vlucht te wagen. Omkoperij met sigaretten of boter, een tafel op porseleinen pootjes, plooikaders of de zgn. passeursramen, droge wollen dekens, gegraven sleuven onder de draad, zelfs polsstokspringen konden leiden tot een geslaagde uitbraak.
Op het einde van de Eerste Wereldoorlog werd in de meeste gevallen de versperring onmiddellijk vernietigd. De plaatselijke overheid gaf hiertoe vaak de opdracht. Boeren waren er dan als de kippen bij om palen en draad te recupereren voor hun eigen weilanden.
Bert Hendrickx

Voor een uitgebreide, meer genuanceerde bespreking van dit onderwerp verwijzen we naar:
- Vanneste, Alex, Het eerste 'IJzeren gordijn'? De elektrische draadversperring aan de Belgisch-Nederlandse grens tijdens de Eerste Wereldoorlog, in: Het tijdschrift van Dexia Bank, Brussel, 54:4(2000), p. 39-82.
- Den Doodendraad, op de site van de Heemkundekring Amalia Van Solms
- Sam Van Clemen, Turnhout tijdens de Eerste Wereldoorlog, Turnhout, 2004.
* Deze tekst is het verslag van de Taxandrialezing die prof. dr. Alex Vanneste op 16 maart 2010 bracht in de Raadzaal van het stadhuis.


